2010 India

Tussen hemel en hel – Gujarat: Ahmedabad, Palitana, Diu

Written by Roel Kerkhof

Soms moet je een beetje aan zelfkastijding doen om de bijzondere dingen op deze aardkloot met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Dat geldt zeker voor de Shatrunjaya tempels bij Palitana, één van de heiligste pelgrimsoorden voor Jains (het Jainisme is een mengvorm van Boeddhisme en Hindoeisme die er van uitgaat dat bevrijding slechts bereikt kan worden door puurheid van de ziel – de volgers zijn vooral bekend vanwege hun eerbied voor elke vorm van leven: strenge gelovigen binden een doekje voor hun mond om te voorkomen dat ze per ongeluk een vliegje inhaleren). Zoals de Jains veel offers moeten brengen om bevrijding te bereiken, zo was het voor ons stevig afzien om de tempels te bereiken (en weer te verlaten).

De eerste etappe vanaf Mount Abu (waar we jullie verlieten) verloopt nog vlotjes. Uitgezwaaid door veel aapjes langs de weg eerst weer met de bus omlaag naar Abu Road om vervolgens de trein te pakken naar Ahmedabad, de hoofdstad van Gujarat. De eerste indrukken van deze nieuwe staat in onze derde reis door India zijn positief. Het landschap dat vier uur lang aan ons getraliede treinvenster voorbij glijdt oogt groener en vriendelijker dan het droge Rajasthan. We reizen deze keer sleeperklasse in plaats van 3AC (zoals eerder tussen Jodhpur en Abu Road). Het nadeel is dat de bankjes in de sleeperwagons wat harder zijn en dat het er wat warmer is, maar aan de andere kant beleef je hier een Indiase treinreis veel intenser; waar je in 3AC achter getint glas in een airconditioned cocon afgesloten van de buitenwereld zit, daar vormt sleeper een microkosmos van diezelfde buitenwereld, inclusief bedelaars die een rondje door de wagons maken (en bij ons als enige westerlingen uiteraard extra lang blijven plakken).

Dan de shock: Ahmedabad, een stad met naar schatting zeven miljoen inwoners, die zich allemaal massaal in het verkeer lijken te hebben gestort. Een enorme diarree aan rickshaws, brommers, bussen en auto’s produceren samen met de talloze rookgassen uitbrakende fabrieken zo’n vuile lucht dat Roel’s al enige dagen sluimerende bronchitis (airco’s zijn niet altijd een zegen) meteen een paar tandjes bijschakelt. Nadat we onderdak hebben gevonden in een enigszins shabby hotel trekken we erop uit om info te scoren voor het vervolg van onze reis. Waar we in Rajasthan struikelden over de reisbureautjes, blijkt al snel dat Gujarat nog niet echt op de reizigerskaart staat (een krantenbericht repte over 15.000 toeristen per jaar). Het valt niet mee om te achterhalen hoe we het beste in Palitana kunnen geraken (Ahmedabad zelf doen we aan het eind van de lus door Gujarat weer aan, al twijfelen we nu serieus of dat de moeite waard kan zijn).

Uiteindelijk hebben we via eerst vier uur bussen naar de provinciestad Bhavnagar en daarna nog eens anderhalf uur met de bus over almaar slechter wordende wegen Palitana weten te bereiken. Ook de bussen van de Gujarat State Road Transport Corporation zijn niet om over naar huis te schrijven – de bus naar Palitana lijkt zelfs voor slopers niet over bruikbare onderdelen te beschikken. Ons hotel past zich naadloos aan: een schraal, muffig hok dat met stip onze topvijf van beroerde onderkomens binnenstormt (achteraf bleek het gezamenlijke hurktoilet de schoonste ruimte van het hotel, in onze eigen toilet-doucheruimte durfden we de muren niet aan te raken) . Rob Geus zou er in ieder geval niet vrolijk van worden, maar veel beters is er niet beschikbaar. Veel duurder ook niet trouwens: we betaalden omgerekend vijf euro voor de kamer. Eigenlijk was kilometer dat nog teveel.

Maar de beloning volgt de volgende dag, al moeten we daarvoor eerst wel 3 kilometer, 600 hoogtemeters en 3.200 treden voor omhoog lopen! Vroeg op dus om niet te lang in de hitte te hoeven wandelen. Iets na half zeven ’s ochtends beginnen we te lopen. De aanbiedingen van dragers die je op hun ‘dholie’ wel naar boven willen dragen slaan we beleefd af: een pelgrimstocht hoor je te lopen. Erg druk is het niet. Volgens de Jain-kalender is het nog altijd moesson en je zou in het neerstromende water eens op beestjes kunnen trappen, dus mogen ze niet naar boven (wij hebben de afgelopen drie weken echter zelfs nog geen wolkje aan de hemel gezien, rare jongens die Jains). Volgens de Lonely Planet duurt de tocht naar boven anderhalf uur: dat klopt, zelfs Eugénie lukt dat! Ze vindt het top dat ze de top heeft bereikt. Bovenop ontvouwt zich een zee van tempels, waarvan de omhoog stekende torens veel doen denken aan de aanblik van Bryce Canyon in de VS. Een indrukwekkend gezicht. Van dichtbij blijken ook deze tempels weer rijk gedecoreerd, zij het minder uitbundig en gedetailleerd dan de Dilwara tempels in Mount Abu.

Nog dezelfde middag reizen we door naar Una, 15 kilometer gelegen van onze volgende bestemming: het eiland Diu. Handig, dachten we, een rechtstreekse bus. Dat zou ons een reisdag schelen. Het wordt een zes uur durende hellerit in een gammeldebammelstaatsbus over hobbeldebobbelwegen. De laatste 40 kilometer lijken alleen geschikt voor 4-wheel drive. Omdat we een dag eerder in Diu arriveren dan gepland, kunnen we nog niet inchecken in ons het door ons geboekte beach resort, maar overnachten we eerst in het stadje Diu zelf. Diu is net als het meer bekende Goa een voormalige Portugese kolonie (vandaar de aanhef boven dit stukje, er wordt hier ook nog wel Portugees gesproken) en dat is terug te zien in het fort, de witgeschilderde kerken en de pasteltinten van veel huizen. Gujarati komen naar Diu (dat onder rechtstreeks bestuur van de overheid in Delhi staat) omdat hier drank vrij verkrijgbaar is, terwijl Gujarat in principe een droge staat is. Je ziet daarom al vroeg op de dag Indiërs in kennelijke staat over straat sjokken.

Net als Goa probeert Diu zich ook als strandbestemming te profileren, maar staat het allemaal nog in de kinderschoenen. Wij bevinden ons nu in het Radhika Beach Resort dat één van de topaccommodaties op het eiland is: een minivakantie binnen onze reis. Drie dagen lang een beetje lezen, een beetje mp3-speler luisteren, een beetje langs het strand wandelen, een beetje bij het zwembad liggen, een beetje ijs eten en ons een beetje verwonderen over hoe Indiërs (buitenlanders zie je hier nauwelijks) hun strandverblijf invullen: aan het strand zoeken ze het liefst elkaar op en beperkt men zich vooral tot pootjebaden (zwemmen kunnen de meeste Indiërs niet) en in ons hotel zoekt men pas aan het eind van de dag het zwembad op (de rest van de dag lijkt vooral op de AC-kamer te worden doorgebracht). Strand en zee laten we zelf overigens grotendeels ongebruikt. We worden sowieso al genoeg als curiositeit aangestaard, in badkleding zou ons waarschijnlijk geen rust gegund zijn(indiase vrouwen baden in hun sari’s). Morgen trekken we weer verder. Vanwege de verwachte Diwali-drukte (het Indiase equivalent van Kerstmis start de volgende dag) en onze ervaringen met de staatsbussen hier, hebben we maar een taxi geregeld…..

About the author

Roel Kerkhof

Restless wanderer, retired cyclist and triathlete, geographer and writer. Man with a mission impossible: to visit all countries in the world.

Leave a Comment